Katholiek
Nieuwsblad - 13 april 2007 -
Katholiek Nieuwsblad
Hoe Verlichting samengaat met gnostiek
Recensie door Stefan van Wersch
New age draagt sinds 11 september 2001 een ander jasje, en verleidt nog steeds
‘verlichte’ mensen tot een geloof in ongerijmde mythen.
New age, bestaat dat nog? Was dat niet een modeverschijnsel van de jaren
zeventig en tachtig dat daarna een zachte dood gestorven is? Een kennis vroeg me
dat recentelijk toen ik de term liet vallen. En ja, die typische new age-achtige
ideeën springen nu minder in het oog. De verwachting van een Aquariustijdperk
dat wereldwijde harmonie zou gaan brengen, is op 11 september 2001 een nogal
wrede dood gestorven. Je zou kunnen zeggen dat new age daarmee de zoveelste
beweging werd die bedrogen uitkwam met de eigen eschatologische verwachting.
Maar de les van dit soort bewegingen is over het algemeen dat ze hun mislukte
voorspellingen overleven. New age is min of meer passé, maar de echte kern
ervan, het eeuwenoude gnosticisme, trekt gewoon een net wat ander jasje aan.
Geloof in
God als schepper is een waanidee.
Maar geloven in magie, tao, boeddhisme, antroposofie en ‘iets’, dát mag.
Lef
Het beste bewijs
daarvoor in de laatste jaren is het ongekende succes van een boek dat zich laat
omschrijven als een aaneenrijging van gnostische onzin: Dan Browns The Da Vinci
Code. Deze Da Vinci Code heeft ervoor gezorgd dat de gnostische mythe over het
ontstaan van het christendom een onderdeel van onze moderne cultuur is geworden.
Je kunt nu, zoals mij overkwam, in een bar door een onbekende ongevraagd
uitgelegd krijgen hoe het oorspronkelijke christendom de boodschap was van “de
androgyne god in jezelf”. En hoe fundamentalistische, machtsbeluste katholieke
bisschoppen dat christendom om zeep hebben geholpen door alle gnostische teksten
te vernietigen.
Het is dan ook passend dat Martie Dieperinks laatste boek over de gnostiek Op
zoek naar het oorspronkelijke christendom de ondertitel Feit en fictie in de Da
Vinci Code en de moderne gnostiek heeft.
Eigenlijk doet Dieperink niets bijzonders. Ze zet gewoon een aantal redelijk
evidente zaken op een rij. Dat het nieuwtestamentische en katholieke christendom
het oorspronkelijke christendom was. Dat de gnostiek een heftige reactie op dit
oorspronkelijke christendom was, met zijn wortels in de laatapostolische tijd
maar vooral toch in de tweede en derde eeuw. Ze laat ook zien hoe onzinnig de
voorstelling van neognostici is dat in de oude Kerk gnostici, ‘protokatholieken’
en andere christenen harmonieus naast elkaar leefden totdat de katholieke
fanaten alle anderen tot ketters verklaarden. Nogmaals: op zich allemaal niets
bijzonders, maar in onze tijden, waarin de gnostiek in alle poriën van de
cultuur is doorgedrongen, moet je lef hebben om het hardop te zeggen. Want wie
zoiets beweert, is waarschijnlijk net zo’n fundamentalist als de katholieke
bisschoppen van de eerste eeuwen.
Onvoorstelbare onzin
Maar Dieperink heeft gewoon de bronnen goed gelezen. Gilles Quispel, de
vorig jaar overleden Utrechtse neognostische hoogleraar, placht dat veel minder
goed te doen. Het was Quispel die graag het verhaal verspreidde dat de gnosticus
Valentinus in 140 bijna bisschop van Rome – paus dus – was geworden. Het klinkt
als het beste bewijs dat het christendom zelfs een heel stuk in de tweede eeuw
nog een harmonieuze lappendeken was van gnostici en katholieken. Dieperink laat
echter zien dat er helemaal geen bewijs is dat Valentinus, toen hij kandidaat
was voor het pausschap, al gnosticus was. Tertullianus vertelt een paar decennia
later een ander verhaal: dat Valentinus eerst gewoon katholiek was, maar uit
frustratie over zijn mislukte kandidatuur gnosticus werd en de Kerk ging
bestrijden.
Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat hele cohorten geleerden het gnostische
melodietje meeneuriën, zoals bijvoorbeeld Quispels leerling Hans van Oort, die
betrokken was bij de publicatie vorig jaar van het gnostische Evangelie van
Judas.
Neem nu eens een doodsimpel gegeven. Het nieuwtestamentische christendom gelooft
in de God van het Oude Testament: er is volledige continuïteit. De God, die
Jezus Vader noemt, was de God van Israël. Voor de gnostici was de God van Israël
echter de baarlijke duivel zelve. Hoe moet je je nu voorstellen dat die twee
opvattingen honderd jaar harmonieus naast elkaar bestonden als legitieme
alternatieven van wat Jezus in gang had gezet? Het is alsof iemand zou beweren
dat Karl Marx zowel de geestelijke vader is van het communisme als van het
kapitalisme, en dat communisten en kapitalisten aanvankelijk beste vriendjes
waren. Onvoorstelbaar toch. Toch is het dit soort onzin dat niet alleen
neognostici maar ook geleerden tegenwoordig verkondigen.
‘Judas’ en Dawkins
Of neem het Evangelie van Judas. Volgens Van Oort geeft het ons een beter
beeld van Judas. Nu is er weinig twijfel dat dit gnostische evangelie uit de
tweede eeuw stamt. Laat het van rond 160 zijn. Geloven dat het ons interessante
informatie verschaft over de echte Judas, is zoiets als geloven dat een boek uit
het jaar 1950 dat geen enkele bron hanteert ons een beter beeld van Napoleon zou
kunnen geven dan getuigenissen van tijdgenoten. Wat het Evangelie van Judas
doet, is wat de gnostiek per definitie doet: het jodendom en het christendom op
hun kop zetten. De God van het Oude Testament wordt de duivel, Judas wordt de
good guy et cetera.
Wat onze geleerden ook niet willen bevatten, is dat de gnostiek een door en door
mythische religie is en helemaal geen historiciteit nastreeft. Een tweede- of
derde-eeuwse gnosticus vond het helemaal geen punt een evangelie uit zijn duim
te zuigen: de mythe is per definitie waar, de historiciteit doet er niet toe.
Wie in gnostische evangeliën naar de historische Jezus zoekt, laat vooral zien
dat hij weinig van gnosis heeft begrepen.
Groot moeras
Al is de gnostiek dan ook een groot moeras, toch is het in onze tijd
eigenlijk de enige vorm van religiositeit die geduld wordt. Elke vorm van
theïstische religie – het geloof in een God die Schepper is – is verdacht.
De oude gnostici zagen die God als de duivel, de moderne pendant daarvan is
Richard Dawkins’ reductie van de Schepper-God tot een delusion, een waanidee.
Maar geloven in magie, tao, boeddhisme, antroposofie en ‘iets’, dát mag.
Het gekste staaltje hiervan is de recente onthulling dat onze eigen
eurocommissaris Neelie Kroes min of meer verslaafd is aan astrologie. Dit is
dezelfde Kroes die Hirsi Ali de VVD binnenhaalde om de moslims met de
Verlichting te bestrijden. Een schijnbaar ongewoon maar eigenlijk toch niet
verwonderlijk huwelijk van verlichting en gnostiek. Want al lijken ze zo
verschillend, ze vinden elkaar al sinds de achttiende eeuw op het punt van
totale eigenmachtigheid van de mens. De grote Verlichters waren toen al graag
tegelijk gnostische vrijmetselaars en illuminaten.
Oecumene
We mogen Dieperink dankbaar zijn dat ze orde op zaken heeft gesteld in de
gnostische wirwar. Haar boek is nog om een andere reden interessant. Het is
geschreven door een protestant, maar het doet vaak katholiek aan. Dieperink laat
zien dat gelovige katholieken en protestanten steeds dichter bij elkaar komen.
Dat zij via de studie van de gnostiek tot haar oecumenische gezindheid is
gekomen, is eigenlijk niet verwonderlijk. Protestanten die de gnostiek van de
eerste eeuwen bestuderen, ontdekken hoe katholieke bisschoppen met behulp van
het Nieuwe Testament de gnostische aanval op de jonge Kerk hebben afgeweerd. De
klassieke protestantse geschiedschrijving van de eerste eeuwen was eigenlijk een
soort variatie op de gnostische benadering: beiden geloven dat de oudste
kerkgeschiedenis het verhaal was van katholieke corrumpering van het
oorspronkelijke christendom. De bronnen tonen echter een ander verhaal. De
laatste hoofdstukken van haar boek laten zien hoe die bronnen niet alleen
katholieken en protestanten maar ook protestanten onderling dichter bij elkaar
kunnen brengen.